Artikel 4.2.3.1 Woningaanpassingen
Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen. Opdrachtgever behoudt het recht om reflectieoffertes op te vragen bij derden voor het toetsen van de marktconformiteit. Is de offerte niet conform, dan krijgt de opdrachtnemer de gelegenheid om zijn offerte daarop aan te passen. Indien deze ook dan niet marktconform is, heeft de opdrachtgever het recht de uitvoering door derden te laten verrichten. Het aanpassen van doelgroepwoningen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.
Doelgroepwoningen
Onder doelgroepwoningen verstaan we woningen die al geschikt gemaakt zijn of bestemd zijn voor een bepaalde doelgroep. Het gaat dan om mensen ouder dan 55 jaar (seniorenwoning) en mensen met een geringe ergonomische beperking (GEB-woning). Deze woningen zijn veelal gelijkvloers en als ze op een verdieping liggen, meestal bereikbaar met een lift of hellingbaan. Ook zijn er meestal brede gangen en deurposten. Wanneer een 55+- of GEB-woning niet volstaat zijn er ook doelgroepwoningen voor mensen die gebruik willen maken van zorg en service van een verzorgings- of verpleeghuis (aanleunwoning) of mensen die meer zorg nodig hebben (zorgwoning). Dit zijn woningen voorzien van een alarm in huis zodat in geval van nood direct hulp ingeschakeld kan worden.
Aanbouw
Als het voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning.
Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.
Gemeenschappelijke ruimten
Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen als trapliften op een voor eenieder bereikbare en doorgankelijke plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind.
Artikel 4.2.3.2 Woonvoorzieningen (niet bouwkundig of woontechnisch)
Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.
Artikel 4.2.3.3 Bezoekbaar maken
Het college kan als de inwoner in een Wlz-instelling woont, (mee)helpen aan het bezoekbaar maken van één woning in de gemeente. Het gaat hier om een buitenwettelijke voorziening. De inwoner is óf geen ingezetene van de gemeente óf heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning die bezoekbaar wordt gemaakt. Bezoekbaar maken betekent met een woonvoorziening ervoor zorgen dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Is het voor de participatie van de inwoner noodzakelijk dat die bij zijn of haar ouders kan logeren? Dan kan ook de slaapkamer bereikbaar worden gemaakt.
Artikel 4.2.3.4 Financiële tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten
Er zijn voorwaarden verbonden aan de financiële tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten Wmo. U moet aan de volgende voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor deze tegemoetkoming:
U hebt langdurige medische problemen, die u beperken in het normale gebruik van uw woning. Door deze beperkingen is het medisch noodzakelijk om uit uw woning te verhuizen. U was nog niet bekend met deze beperkingen toen u uw huidige woning accepteerde. De medische problemen zijn aantoonbaar;
U woont op zichzelf en verhuist ook naar een zelfstandige woning, waar u het gehele jaar mag wonen (geen recreatiewoning);
U verhuist naar een woning binnen Nederland;
U verhuist naar de voor uw beperkingen op dat moment meest geschikte woning. Dit gebeurt in overleg met de gemeente en de woning moet voldoen aan de eisen die in het besluit (de beschikking) staan.
De huur van uw huidige woning is nog niet opgezegd of uw huidige koopwoning is nog niet verkocht.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming staat in het Besluit nadere regels onder artikel 2.7.
Artikel 4.2.3.5 Mantelzorgwoning
Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.
In het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn regels opgenomen voor het vergunningvrij bouwen of gebruiken. Zo is het mogelijk om op het achtererfgebied een woongelegenheid voor mantelzorg te plaatsen zonder omgevingsvergunning (voorheen bouwvergunning). Iemand die mantelzorg nodig heeft, kan nu in het achtererfgebied van zijn mantelverzorger gaan wonen. Andersom is ook mogelijk: mantelzorgverlener in de woongelegenheid en mantelzorgontvanger in de hoofdwoning. Het moet daarbij gaan om de huisvesting in of bij een woning van maximaal één huishouden van maximaal twee personen, waarvan ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
Artikel 4.2.3.6 Huurderving
In geval van huurbeëindiging van een al aangepaste/rolstoelgeschikt gemaakte woning ofwel een woning die aangepast/rolstoelgeschikt gemaakt gaat worden, kan het college een financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal drie maanden ingaande op de datum van opzegging van de vorige huurder. Indien uit tussentijds onderzoek wordt vastgesteld dat deze periode in het individuele geval te kort blijkt, kan deze onder motivering worden verlengd met maximaal drie maanden.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op de werkelijke kosten per maand, doch maximaal op het bedrag van de maximale subsidiabele huur op grond van de Wet op de huurtoeslag.