Bij het beoordelen van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt gekeken naar:
Is de inwoner ingezetene van de gemeente? (zie § 3.1.1)
Behoort de inwoner tot de doelgroep van de Wmo? (zie de artikelen 1.2.1 en 1.2.2 van de wet)
Zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(s) of iemand uit het sociaal netwerk? (zie § 3.1.2)
Zijn er - deels - voorliggende voorzieningen beschikbaar? (zie § 3.1.4)
Zijn er - deels - algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar? (zie § 3.1.5)
Zijn er - deels - algemene voorzieningen beschikbaar? (zie § 3.1.6)
Daarnaast moet worden beoordeeld of de inwoner voldoet aan de geldende voorwaarden. De inwoner komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening indien hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Het criterium ‘bereiken van het openbaar vervoer’ is door de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale” loopafstand van 800 meter. Kan de inwoner 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen, en in een redelijk tempo lopen, dan wordt de inwoner in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de inwoner het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet in het openbaar vervoer kan komen, dan kan er aanleiding zijn wel een vervoersvoorziening te treffen.
Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de bushalte etc.
HOOFDSTUK 4. › § 4.3
Artikel 4.3.2
Aanspraak op een vervoersvoorziening
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning ’s-Hertogenbosch 2025