De opslagtermijn voor de verwijderde fietsen is afhankelijk van de waarde van de fiets en bedraagt minimaal 2 tot maximaal 13 weken. Het moment waarop de opslagtermijn begint te tellen is het moment waarop de bestuursdwang wordt uitgevoerd, ofwel het moment waarop de fiets wordt verwijderd. De opslagtermijn van maximaal 13 weken volgt uit het eerste lid van artikel 5:30 van de Awb, waarin is aangegeven dat een bestuursorgaan 13 weken na de uitvoering van bestuursdwang de meegevoerde zaken mag verkopen, schenken of (laten) vernietigen. Op grond van het tweede lid van artikel 5:30 van de Awb mag het bestuursorgaan de meegevoerde en opgeslagen zaak eerder dan 13 weken afvoeren als de kosten voor het meevoeren en opslaan van die zaak in verhouding tot de waarde van die zaak onevenredig hoog worden. In het derde lid van hetzelfde artikel is opgenomen dat meegevoerde zaken minimaal 2 weken bewaard moeten worden, ongeacht de waarde van die zaak. Concreet betekent dit dat als de kosten voor het meevoeren en opslaan van een fiets onevenredig hoog worden in verhouding tot de waarde van die fiets, de gemeente die fiets korter mag bewaren dan de termijn van 13 weken.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.5
Opslagtermijn van de verwijderde fiets
Onderdeel van Beleidsregel handhaving (brom)fietswrakken en verlaten (brom)fietsen gemeente Waalre