Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Hoogte van de subsidie

Onderdeel van Subsidieregeling peuterprogramma en voorschoolse educatie 2025

1. . De subsidie voor het aanbieden van een peuterprogramma, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 aan een peuter ZKT, wordt gebaseerd op het aantal uur dat het peuterprogramma per betreffende peuter is aangeboden met: een maximum van 320 uur per jaar (op basis van 40 weken vermenigvuldigd met 8 uur per week), vermenigvuldigd met het uurtarief kinderopvangtoeslag, verminderd met de ouderbijdrage zoals vermeld in artikel 5 lid 1 (deelname) 2. . De subsidie voor het aanbieden van een peuterprogramma, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, aan een VVE-peuter ZKT, wordt gebaseerd op het aantal uur dat het peuterprogramma per betreffende peuter is aangeboden met: een maximum van 640 uur per jaar, vermenigvuldigd met het uurtarief kinderopvangtoeslag verminderd met de ouderbijdrage, zoals vermeld in artikel 5 lid 2. In geval van minder uren zal de subsidie naar rato worden verstrekt. vermeerderd met 240 uur per jaar voor begeleiding op basis van 640 uur aanbod peuterprogramma per jaar, vermenigvuldigd met het uurtarief kinderopvangtoeslag (begeleiding) In geval van minder uren (dan 640 uur aanbod peuterprogramma), zal dit onderdeel naar rato worden berekend. 3. . De subsidie voor het aanbieden van een peuterprogramma, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, aan een VVE-peuter MKT wordt gebaseerd op: 240 uur per jaar op basis van 640 uur aanbod peuterprogramma per jaar, vermenigvuldigd met het uurtarief kinderopvangtoeslag (begeleiding). In geval van minder uren (dan 640 uur aanbod peuterprogramma), zal dit onderdeel naar rato worden berekend. 4. . De subsidie voor deelname aan netwerkbijeenkomsten, alsmede het voeren van overleg met de GGD/JGZ, inzake de plaatsing van VVE-peuters, zoals bedoeld in artikel 3, lid 4, bedraagt per aanvrager op jaarbasis € 1.500 aangevuld met € 500 per geregistreerde vve-locatie (LRK). Per woonkern kan een kindercentrum één keer in aanmerking komen voor de subsidie netwerkbijeenkomsten. 5. . De subsidie voor deelname aan vve-opleidingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 5 bestaat uit de opleidingskosten voor VE bekwaam en opleidingen voor erkende methodieken in de voorschoolse educatie. 6. . De subsidie voor activiteiten die voortvloeien uit het locatieplan, zoals bedoeld in artikel 3, lid 6, bedraagt per kalenderjaar maximaal € 1.000 per locatie. Verlet- en reiskosten van de deelnemers vallen buiten de reikwijdte van deze subsidie. 7. . De kleinschaligheidstoeslag betreft het exploitatietekort voor het aanbod peuterprogramma en bedraagt maximaal €10.000 per locatie per jaar. 8. . De subsidie voor de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker vve, zoals bedoeld in artikel 3, lid 8 wordt gebaseerd op het aantal VVE-peuters van tweeëneenhalf tot vier jaar op 1 januari van het betreffende subsidiejaar, vermenigvuldigt met tien uur, vermenigvuldigd met het uurtarief van €55,78 per uur. Het uurtarief wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de jaarlijkse stijging van het maximum uurtarief voor de dagopvang voor de kinderopvangtoeslag. De norm van 10 uur betreft een rekenregel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel