Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.

Artikel 9.

Criteria individuele voorzieningen

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Maashorst 2024

1.. Jeugdigen en/of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: gebruikelijke hulp van ouders of met hulp van personen uit het sociale netwerk, zoals nader is gespecificeerd in artikel 10; het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. de gezinssamenstelling, waarbij wordt gekeken naar wie er zorgbehoeftig en wie zorgdragend is; de relatie tussen ouders en kinderen; het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen; de vaardigheden en mogelijkheden om zelf de hulp te bieden; de beschikbaarheid om de hulp zelf te bieden; de kans op overbelasting; het ontstaan van financiële overbelasting; de overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; door gebruik te maken van een andere voorziening. 2.. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3.. De voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag en alleen als het hulpverleningstraject niet al is afgerond voorafgaand aan de aanvraag. 4.. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel