Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Afdeling 3

Artikel 4.10

Begripsbepalingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Eersel 2010

In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In afwijking van het hiervoor gestelde kan de dwarsdoorsnede kleiner zijn dan 10 centimeter op 1,3 meter boven het maaiveld, indien sprake is van:• een monumentale of waardevolle boom als bedoeld in artikel 4:11;• een houtopstand onderdeel uitmakend van de hoofdstructuur;• een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in de artikelen 4:12c en 4:12d; houtopstand: één of meer bomen of boomvormer(s), of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere of een heg, met de onder sub a genoemde minimale dwarsdoorsnede; beschermwaardige boom: monumentale of waardevolle bomen, hoofdstructuren, houtwallen en singels; monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een toekomstperspectief voor een relatief hoge leeftijd en een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving; waardevolle boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een toekomstperspectief voor een relatief hoge leeftijd en een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving; hoofdstructuur: laanbomen van de 1e orde langs beide kanten van een weg; houtwal en singel: lange stroken struiken en bomen, die als groene aderen door het landschap lopen en met elkaar een verbinding vormen; vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand; kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; boomwaarde: de financiële waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; solitaire boom: is een boom waarbij geen samenhang is met andere bomen en die niet valt onder de Boswet; erf: een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel