Naar hoofdinhoud
1.. De belasting wordt niet geheven van een gemeentelijk orgaan, indien en voorzover de uitvoering van de aan dit orgaan opgedragen publiekrechtelijke taak dat met zich brengt. 2.. De belasting wordt niet geheven ter zake van: een buiten het gevelvlak uitstekende uitbouw die met het gebouwde eigendom aard‑ en nagelvast is verbonden, indien en voorzover niet het bevorderen van het betreden daarvan, noch het bieden van bescherming tegen weersinvloeden wordt beoogd; een voorwerp ten behoeve van de afvoer van afvalwater, regenwater of grondwater; een voorwerp als bedoeld in rubriek 5 van de tarieventabel, indien en voorzover dit is aangebracht in loodrechte richting of aangesloten op een gemeentebezitting voor de levering van water; een vlaggenstok, uitsluitend ten behoeve van het vlaggen op erkende feestdagen, een vlaggenstokhouder, een spionnetje en een aan een gevel bevestigde bloembak, lamp of zonnescherm; voorzieningen aan of in de onmiddellijke nabijheid van percelen, bestaande uit rolluiken, alarminstallaties, televisiecamera's, lampen en dergelijke, die uitsluitend ten behoeve van de veiligheid zijn aangebracht; een reeds vóór 1 december 1898 bestaande verdiepte ingang vóór een hoge stoep, een trede, een verhoogde trede vóór de zogenaamde stoepenlijn, een trap, een kelderingang, een pothuis of een andere buiten het gevelvlak uitstekende uitbouw welke met het desbetreffende eigendom aard‑ en nagelvast is verbonden, indien en voorzover zich bevindend op het grondgebied van de gemeente dat op 31 december 1920 aan haar toebehoorde, tenzij terzake daarvan vóór 1 december 1898 is bepaald, dat de in artikel 2 bedoelde belasting wordt geheven. Indien een voorwerp of uitbouw als hiervoor bedoeld, wijziging ondergaat of wordt vervangen, wordt de belasting geheven voor het meerdere dat daarna aan gemeentegrond wordt ingenomen; een stoeptrede vóór een bestaande ingang, een koekoek, een licht‑ of luchtkolk vóór een bestaand raam, indien en voorzover, in verband met een wijziging in het straatprofiel, daartoe schriftelijk toestemming is verleend; een voorwerp onder, op of boven gemeentegrond dat niet aan de gemeente in eigendom is overgedragen, indien en voorzover dat voorwerp bij de overdracht aanwezig was en in verband met de inrichting van het betrokken perceel bezwaarlijk kan worden verwijderd. 3.. Indien een voorwerp of uitbouw als bedoeld in het tweede lid, onder g, wijziging ondergaat of wordt vervangen door een ander voorwerp of uitbouw als bedoeld in het tweede lid, onder g, wordt de belasting evenmin geheven, indien na de wijziging of de vervanging niet méér gemeentegrond wordt ingenomen. Indien na de wijziging of vervanging méér gemeentegrond wordt ingenomen, wordt de belasting slechts over het meerdere gedeelte geheven. 4.. De belasting wordt niet geheven indien en voorzover terzake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst of een andere gemeentelijke belastingverordening, met uitzondering van de Binnenhavengeld-verordening, een bedrag wordt gevorderd. 5.. De belasting wordt niet geheven ter zake van ten dienste van het wegverkeer getroffen voorzieningen, waaronder worden begrepen algemene bewegwijzeringen waarmee een algemeen belang wordt gediend. 6.. Met uitzondering van de belastbare feiten als bedoeld onder 4, 7.3, 8 en 10 van de tabel, wordt de belasting niet geheven indien reclamebelasting wordt geheven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel