Voor iedere deelnemer wordt de ondersteuningsbehoefte geïnventariseerd en gemonitord gedurende de periode dat hij deelneemt aan de dagbesteding. Wijzigingen die noodzakelijk zijn om de zelfredzaamheid en ontwikkelingsstappen te bevorderen voor de inwoner worden vastgelegd per deelnemer. Het is aan de zorgaanbieders hoe zij een dergelijk ondersteuningsplan /dossier/volgsysteem inrichten, maar ondersteuningsplannen bevatten minimaal persoonlijke doelen, aan welke vorm(en) van dagbesteding de inwoner deelneemt (inclusief de frequentie) en hoe de doelen worden gemonitord. Uitgangspunt hierbij is praten met de deelnemer en niet over of voor de deelnemer. De aanbieder betrekt de deelnemer bij beslissingen en behandelt de deelnemer als een gelijkwaardige gesprekspartner.
Er is oog voor de (overbelaste) mantelzorger en de thuissituatie van de deelnemer. Dit kan een reden zijn voor meer of minder dagbesteding. Signalen over (overbelaste) mantelzorg en/of de thuissituatie worden bespreekbaar gemaakt met de deelnemer. Bij signalen die om actie vragen, neemt de aanbieder met toestemming van de inwoner contact op met de betrokken ambulant begeleider en/of het sociaal (wijk)team.
Als een inwoner deelneemt aan dagbesteding, heeft de aanbieder bij meervoudige problematiek een signalerende functie en de verantwoordelijkheid om signalen bespreekbaar te maken en (met toestemming van de deelnemer) contact op te nemen met de ambulant begeleider, het sociaal team (Berg en Dal) of het buurtteam (Nijmegen).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.7
Integrale ondersteuning
Onderdeel van Subsidieregeling Pilot ontwikkelingsgerichte dagbesteding als beschikkingsvrije voorziening 2025