In de gevallen genoemd in artikel 4:41 lid 2 van de Awb is de subsidieontvanger het college een vergoeding verschuldigd.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.
Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige, aan te wijzen door het college.
Het college kan de vergoeding besteden aan een in overleg met de subsidieontvanger gekozen bestemming.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.7 Vermogensvorming en vergoeding
Artikel 1.7 Vermogensvorming en vergoeding
Onderdeel van Algemene subsidieverordening Baarn 2024