Naar hoofdinhoud
1.. Bij het opleggen van een boete gaat de heffingsambtenaar uit van het percentage vermeld in deze regeling. Het opleggen van een boete is een vorm van straftoemeting. Daarom houdt de heffingsambtenaar rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een lagere boete dan op grond van de percentages van deze regeling kan worden opgelegd. Deze omstandigheden (zie artikel 7) vormen het sluitstuk van de behoorlijke straftoemeting bij bestuurlijke boeten. Gelet hierop is de heffingsambtenaar bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan de percentages. De op grond van de artikelen 9 en 10 bepaalde hoogte van de boete kan zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage verlaagd worden. 2.. Bij de verzuimboeten zal, vanwege de wijze van oplegging, individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde kunnen komen. 3.. Voor de mogelijke verminderingen van de boete als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn verwijzen wij naar de nadere regels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 19 december 2008, nr. 42763, ECLI:NL:HR:2008:BD0191. 4.. De stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren rust op belanghebbende. Indien de heffingsambtenaar op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden. De heffingsambtenaar hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is. 5.. Gedragingen van belanghebbende na het begaan van het beboetbare feit, kunnen ook bij de straftoemeting worden betrokken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel