In de provinciale Handreiking wind op land zijn in hoofdstuk 4 aanvullend op de Omgevingsverordening regels voor kleine windturbines opgenomen qua vormgeving en qua plaatsing op het erf. We geven hier een kort overzicht van de richting gevende regels. Een aanvraag voor kleine windturbines dient zo goed mogelijk aan deze regels te voldoen.
Kleine windturbines vormgeving
Ashoogte maximaal 15m ten opzichte van maaiveld
Evenwichtige verhouding masthoogte tot rotordiameter, richtlijn: 1:1
Overwegend rank silhouet
Herkenbare eenduidige hoofdvorm als energieopwekker
Ingetogen kleurgebruik (onopvallend, mat) passend bij agrarisch of bedrijfserf in landelijk gebied
Bijbehorende elementen (hekwerk, veiligheidsvoorziening, infrastructuur, fundament, elektravoorzieningen en verlichting) sterk ondergeschikt in maat en in gedekte kleurstelling
Simpel zicht op de eenvoudige techniek in een natuurlijke omgeving, zonder hekken etc., zorgt veelal voor de beste landschappelijke inpassing.
Figuur 2.1: Vormgeving van de windturbine
Gewenste aanvulling
Reclame ten allen tijde ondergeschikt, zie hiervoor betreffende criteria in gemeentelijk welstandbeleid
Plaatsing en ontwikkelprincipes kleine windturbines
Diverse principes voor aansluiting op het bouwvlak:
Maximaal 1 windturbine op een bouwperceel met agrarische functie of bouwperceel met een stedelijke functie van minimaal 1 ha
Juiste verhouding tussen windturbine en ensemble van bebouwing
Zie de windmolen als onderdeel van of in relatie met het (bestaande) ensemble van bebouwing en beplanting
Plaats de windturbine op een ondergeschikte positie ten opzichte van de representatieve voorzijde van het bouwvlak
Behoud afstand van historisch of landschappelijk waardevolle structuren of elementen
Draag zorg voor een (groene) inpassing van de windturbine op het bouwvlak
Relatie tot kleine windturbines in de omgeving; streef binnen 75m naar plaatsing van een identieke windturbine op een vergelijkbare plek binnen het erf/bouwvlakensemble, binnen 150m voor een vergelijkbare hoofdvorm en bij meer dan 150m afstand van elkaar kan gekozen worden voor een vrije vorm en locatie op het bouwvlak.
Figuur 2.2: Plaatsing van de kleine windturbine achter op het erf
Figuur 2.3: Kleine windturbine in het landelijk met een evenwichtige verhouding tussen masthoogte en rotordiameter gebied (EAZ turbine)
Vermogen 0,01 MW / Opbrengst 25 MWh/jaar
Figuur 2.4: Kleine windturbine in het landelijk gebied met een erg kleine rotor in verhouding tot de masthoogte
Figuur 2.5: DutchVentus windturbine op daken te plaatsen. Deze heeft een diameter van 3,5 m en een vermogen van 10 kW (0,01MW), opbrengst van 18 MWh/ jaar, Bron: nwea.nl
Figuur 2.6: Windturbines met een ludieke vormgeving die draaien om de verticale as
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Provinciale ruimtelijke Handreiking wind op land
Onderdeel van Beleidskader kleine windturbines Zaanstreek – Waterland