Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Provinciale ruimtelijke Handreiking wind op land

Onderdeel van Beleidskader kleine windturbines Zaanstreek – Waterland

In de provinciale Handreiking wind op land zijn in hoofdstuk 4 aanvullend op de Omgevingsverordening regels voor kleine windturbines opgenomen qua vormgeving en qua plaatsing op het erf. We geven hier een kort overzicht van de richting gevende regels. Een aanvraag voor kleine windturbines dient zo goed mogelijk aan deze regels te voldoen. Kleine windturbines vormgeving Ashoogte maximaal 15m ten opzichte van maaiveld Evenwichtige verhouding masthoogte tot rotordiameter, richtlijn: 1:1 Overwegend rank silhouet Herkenbare eenduidige hoofdvorm als energieopwekker Ingetogen kleurgebruik (onopvallend, mat) passend bij agrarisch of bedrijfserf in landelijk gebied Bijbehorende elementen (hekwerk, veiligheidsvoorziening, infrastructuur, fundament, elektravoorzieningen en verlichting) sterk ondergeschikt in maat en in gedekte kleurstelling Simpel zicht op de eenvoudige techniek in een natuurlijke omgeving, zonder hekken etc., zorgt veelal voor de beste landschappelijke inpassing. Figuur 2.1: Vormgeving van de windturbine Gewenste aanvulling Reclame ten allen tijde ondergeschikt, zie hiervoor betreffende criteria in gemeentelijk welstandbeleid Plaatsing en ontwikkelprincipes kleine windturbines Diverse principes voor aansluiting op het bouwvlak: Maximaal 1 windturbine op een bouwperceel met agrarische functie of bouwperceel met een stedelijke functie van minimaal 1 ha Juiste verhouding tussen windturbine en ensemble van bebouwing Zie de windmolen als onderdeel van of in relatie met het (bestaande) ensemble van bebouwing en beplanting Plaats de windturbine op een ondergeschikte positie ten opzichte van de representatieve voorzijde van het bouwvlak Behoud afstand van historisch of landschappelijk waardevolle structuren of elementen Draag zorg voor een (groene) inpassing van de windturbine op het bouwvlak Relatie tot kleine windturbines in de omgeving; streef binnen 75m naar plaatsing van een identieke windturbine op een vergelijkbare plek binnen het erf/bouwvlakensemble, binnen 150m voor een vergelijkbare hoofdvorm en bij meer dan 150m afstand van elkaar kan gekozen worden voor een vrije vorm en locatie op het bouwvlak. Figuur 2.2: Plaatsing van de kleine windturbine achter op het erf Figuur 2.3: Kleine windturbine in het landelijk met een evenwichtige verhouding tussen masthoogte en rotordiameter gebied (EAZ turbine) Vermogen 0,01 MW / Opbrengst 25 MWh/jaar Figuur 2.4: Kleine windturbine in het landelijk gebied met een erg kleine rotor in verhouding tot de masthoogte Figuur 2.5: DutchVentus windturbine op daken te plaatsen. Deze heeft een diameter van 3,5 m en een vermogen van 10 kW (0,01MW), opbrengst van 18 MWh/ jaar, Bron: nwea.nl Figuur 2.6: Windturbines met een ludieke vormgeving die draaien om de verticale as

Rechtspraak bij dit artikel