Het college stelt het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 opeisbaar en kan dit terugvorderen als:
Betaling van rente en aflossing niet worden nagekomen. (art. 39 lid 1 onder 2 jo. Lid 3 Bbz);
Bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed (art. 39 lid 2 sub a Bbz 2004);
Er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf (art. 39 lid 2 sub b Bbz 2004);
Er sprake is van faillissement of surseance (art. 39 lid 2 sub c Bbz 2004).
Indien de kredietnemer onder curatele wordt gesteld;
Indien beslag wordt gelegd op roerende en/of onroerende goederen van kredietnemer;
Bij wijziging van de juridische bedrijfsvorm;
Indien het bedrijf door externe factoren geheel of gedeeltelijk verloren gaat;
Als er onjuiste informatie is verstrekt;
Wanneer kredietnemer in het buitenland gaat wonen
Als kredietnemer zich niet houdt aan de overige afspraken zoals deze zijn vastgelegd in de overeenkomst van geldlening.
De termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente zoals genoemd in artikel 41 lid 2 Bbz 2004 is verlopen, zoals bepaald in artikel 41 lid 4 Bbz 2004.
De financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen direct worden teruggevorderd (artikel 41 lid 5 Bbz 2004)
Hoofdstuk 2: › Paragraaf 2.1
Artikel 5
Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Bbz 2004 gemeente Tilburg – versie 1 januari 2025