Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2:3

Weigeringsgronden

Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2004

1.. Het College kan de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren, indien gegronde reden bestaat aan te nemen dat: de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht zullen zijn op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks aanwijsbaar ten goede zullen komen aan de gemeente of haar ingezetenen; de te verlenen subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie is bedoeld; de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed; de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; de aanvrager ook zonder subsidietoekenning over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de activiteit te dekken. 2.. Het College weigert de subsidie, indien de organisatie van de aanvrager naar het oordeel van het College onvoldoende omvang of onvoldoende draagvlak bezit, dan wel het college van oordeel is dat het ontbreken van rechtspersoonlijkheid of de rechtsvorm van de organisatie niet geëigend is voor een doeltreffende realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. 3.. Het College weigert de subsidie, indien voor de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd, geen gelden op de begroting zijn gereserveerd.

Rechtspraak bij dit artikel