Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Uitgangspunt Wmo 2015

Onderdeel van Beleidsregels gebruikelijke hulp Wmo 2024

We verwachten dat de volwassen huisgenoten, ouders en verzorgers onderling alle noodzakelijke hulp en ondersteuning bieden, en de inwonende kinderen naar vermogen. Een Wmo-indicatie voor een (tijdelijke of langdurige) inzet van een voorziening is niet aan de orde, tenzij: De inwoner en leden uit het gezin en/of huishouden de hulp niet zelf kunnen bieden omdat de mogelijkheden of vaardigheden hiervoor ontbreken en deze niet aan te leren zijn. Inzet kan ook gericht zijn op het aanleren van vaardigheden aan huisgenoten om vervolgens zelf de (gebruikelijke) hulp te kunnen bieden; De inzet van gebruikelijke hulp niet de beste of meest effectieve inzet is om de gewenste doelen/resultaten te bereiken; In het gezin of huishouden als gevolg van het bieden van deze hulp sprake is van (dreigende en/of tijdelijke) overbelasting; Toekenning van een voorziening nodig is, al dan niet tijdelijk, om ervoor te zorgen dat degene van wie de gebruikelijke hulp wordt verwacht binnen de grenzen van de redelijkheid kan (blijven) werken/ en-of participeren. Indien sprake is van één van bovengenoemde situaties kan er aanvullend op de gebruikelijke hulp een maatwerkvoorziening worden toegekend. De ondersteuning ingevolge de maatwerkvoorziening wordt dan verricht door een derde (zorgaanbieder of persoon buiten de leefeenheid van de cliënt).

Rechtspraak bij dit artikel