In artikel 81c, eerste lid, van de Gemeentewet wordt bepaald dat de raad het lid van de rekenkamer benoemt voor de duur van zes jaar. Ter versterking van de rol van de commissie voor de rekenkamer wordt het lid van de rekenkamer op aanbeveling van de commissie benoemt (zie ook artikel 3, derde lid, onder a). De voordracht van de commissie is niet bindend, maar het derde lid benadrukt wel de zwaarte van de aanbeveling die door de commissie wordt gedaan en waarvan de raad niet zonder meer zal afwijken.
Op grond van artikel 81e van de Gemeentewet zal het lid van de rekenkamer openbaar moeten maken welke andere functies dan het lidmaatschap van de rekenkamer hij vervult. Artikel 81f van de Gemeentewet noemt de functies die onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de rekenkamer. De raad zal, dus voor hij overgaat tot benoeming, moeten nagaan of artikel 81f benoeming niet in de weg staat. Artikel 4, derde lid, bevat de opdracht aan de commissie de raad hierover de nodige informatie te verschaffen. Kandidaten zullen dus via de commissie de informatie moeten verschaffen die zij op grond van artikel 81e van de Gemeentewet na benoeming openbaar zal moeten maken. Tenslotte moet voor de benoeming duidelijk zijn dat een beoogd lid zijn/haar kandidatuur aanvaardt.
De raad benoemt het lid van de rekenkamer (artikel 81c, tweede lid). In het vierde lid van artikel 81c wordt de vervanging geregeld indien het lid van de rekenkamer tijdelijk niet in de gelegenheid is zijn functie te vervullen. De Gemeentewet schrijft die benoeming van een plaatsvervanger voor.
In artikel 81c, vijfde lid, van de Gemeentewet is opgenomen dat voorafgaande aan benoemingen overleg met de rekenkamer moet worden gevoerd.