In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:
Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost (zie ook artikel 3.5).
Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten.
Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:
Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt.
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Om een beeld te schetsen bij wat normaal is, is in onderstaand overzicht voor veel voorkomende problemen het onderscheid aangegeven tussen wat ‘normale’ en ernstige problematiek is. Dit schema laat zien dat er een groot aantal ‘normale’ problemen is waarvoor in beginsel geen jeugdhulp nodig is. Bij ernstige problematiek kan waar nodig en waar de hulpvraag tot de Jeugdwet behoort, jeugdhulp worden ingezet. Dit overzicht komt uit de publicatie “Allemaal opvoeders; Weet wat werkt bij opvoedvragen” van het NJI.
Ontwikkelingsopgave kind
Opvoedingsopgave ouder
‘Normale’ problemen
Ernstige problemen
± 0 - 2 jaar Belangrijke opvoedmilieus: gezin, opvang
fysiologische zelfregulatie;
veilige hechting;
exploratie;
autonomie/ individuatie
soepele verzorging;
sensitieve responsieve interactie bieden;
beschikbaarheid;
ruimte en steun geven
voedingsproblemen;
slaapproblemen;
scheidingsangst;
angst voor vreemden, donker en geluiden
eet/slaapstoornis;
reactieve hechtingsstoornis;
huilbaby
± 2 - 4 jaar Belangrijke opvoedmilieus: gezin, opvang, (voor)school
uitdrukkings-vaardigheden (o.a. taal);
constructieve omgang met leeftijdsgenoten;
internaliseren van eisen (w.o. zindelijkheid);
sekse rolidentificatie
sensitiviteit voor cognitief niveau;
positieve bevestigende omgang;
omgaan met ambiguïteit kind;
gehoorzamen;
seksespecifieke benadering
angst voor vreemden, donker, geluiden;
koppigheid;
driftbuien;
agressie;
ongehoorzaamheid;
druk gedrag/overactiviteit;
sekserol- en identiteitangst;
niet zindelijk
scheidingsangst;
fobische/sociale angst;
taal-, spraak-, motoriekstoornis
onzindelijkheid;
ADHD;
gedragsstoornis gezin;
oppositionele gedragsstoornis jonge kind
± 5 - 12 jaar Belangrijke opvoedmilieus: gezin, school, vriendengroep, verenigingen
decentratie;
school-vaardigheden;
ijver (‘industry’);
acceptatie door leeftijdsgenoten
ruimte geven voor omgang leeftijdgenoten;
schools onderricht;
waardering voor schoolwerk;
democratische en warme opvoedingsstijl
ruzies;
concentratie-problemen;
laag prestatieniveau;
schoolweigering;
incidenteel stelen of vandalisme;
ritualistisch gedrag
bedplassen;
leerstoornissen;
sociale terugtrekking;
schoolweigering;
geslachtsidentiteitsstoornis;
vroege delinquentie;
neurose en somatoforme stoornis
± 12 - 19 jaar Belangrijke opvoedmilieus: gezin, school, vrienden, werkkring, andere sociale contacten
emotionele (en praktische) zelfstandigheid;
omgaan met eigen en andere sekse;
ontwikkeling van waardesysteem:
persoonlijkheids-ontwikkeling, school, beroep en samenleving
emotionele steun bieden;
tolerantie voor experimenten;
leeftijds-adequate grenzen stellen;
voorbeeld-functiev ervullen;
meer gelijkwaardige relatie met kind aangaan
gebruik psychoactieve stoffen (alcohol, drugs);
twijfels over identiteit en/of toekomst;
zorgen over uiterlijk;
problemen met autoriteiten; incidenteel spijbelen
misbruik alcohol, drugs;
stoornis in de identiteit;
anorexia / boulimia (nerv.);
seksuele oriëntatie stoornis;
suïcide;
oppositionele gedragsstoornis;
gedragsstoornis groepsverband;
delinquentie;
schooluitval
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3
Normaliseren
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Voorne aan Zee 2025