**1..** In deze verordening wordt onder de wet verstaan de Wet werk en bijstand.
**2..** In deze verordening wordt verstaan onder:
alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
tot zijn last komend kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;
hulpbehoevende: persoon bij wie sprake is van een zorgbehoefte;
woonkosten:
1° indien een woning wordt gehuurd: de rekenhuur als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet (Staatsblad 1997, nr. 197);
2° indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
basisnorm: norm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet;
nettominimumloon: basisnorm voor gehuwden als bedoeld in art. 21, onder c, van de wet;
inrichting:
1° een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2° een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is.
**3..** In deze verordening wordt onder woning mede verstaan een woonwagen en een woonschip.
**4..** Met de gehuwde wordt gelijkgesteld de als partner geregistreerde dan wel de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
**5..** Als ongehuwde wordt mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is dan wel van wie hij de geregistreerde partner is.
**6..** Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.