Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Ontstaan van de belastingschuld

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. 2.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 3.. Indien een parkeervergunning in de loop van het jaar wordt ingetrokken, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de intrekking van de parkeervergunning, nog volle kalendermaanden overblijven; met dien verstande dat de restitutie niet wordt verleend indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00 bedraagt. 4.. Indien een parkeervergunning in de loop van een belastingjaar wordt aangevraagd is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting, waarbij het tijdstip van de aanvraag als volledige maand wordt aangemerkt; met dien verstande dat de verschuldigde belasting niet wordt geïnd indien het bedrag daarvan minder dan € 10,00 bedraagt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel