Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening Amsterdamse Rioolheffing

1.. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen voor het eigenarendeel en het gebruikersdeel worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2.. Indien op basis van artikel 8, lid 2, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen voor het eigenarendeel worden betaald, respectievelijk worden de aanslagen voor het eigenarendeel geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn een maand later. 3.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is een voorlopige aanslag voor het gebruikersdeel invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste twee bedraagt. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijn telkens een maan later. Met betrekking tot een ingevolge art. 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de genoemde aanslagen. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid genoemde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel