Een lokaal wordt gezien als een pand dat niet wordt gebruikt voor bewoning dan wel niet zijnde een woning. Hieronder vallen alle gelegenheden die – al dan niet met enige beperking, zoals entreegeld of lidmaatschap toegankelijk zijn.
Voorbeelden van voor publiek toegankelijke lokalen zijn: winkels, horecabedrijven zoals hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria, snackbars, discotheken, buurthuizen of clubhuizen. Onder een voor publiek opengesteld lokaal wordt ook verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
Niet voor het publiek toegankelijke lokalen zijn bijvoorbeeld loodsen, schuren en bedrijfsruimten. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet gebruikt wordt als woning kan aangemerkt worden als lokaal.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1.
Artikel 3.1.2.