De burgemeester is verantwoordelijk voor de lijkbezorging en dient de wens van de overledene te respecteren voor wat betreft de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 18, lid 1 van de Wlb geeft hieraan uiting met de volgende bepaling: ‘De lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden’. Dit kan alleen begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap zijn. Andere vormen zijn wettelijk gezien niet mogelijk.
Door middel van een codicil of testament kan de overledene aangeven hebben welke vorm van lijkbezorging gekozen moet worden. Het is ook denkbaar dat op andere wijze de wens voor één van deze vormen is vastgelegd of uit andere bronnen deze wens blijkt. Ter beschikking stellen van een stoffelijk overschot aan de wetenschap kan slechts als de overledene dit uitdrukkelijk had vastgelegd (artikel 21, lid 1 Wlb).
Beleidsregel 10: De gemeente houdt rekening met de wens van de overledene indien deze tijdig bekend is en voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd.
Zijn er geen concrete aanwijzingen over de wens van de overledene, dan wordt in beginsel gekozen voor cremeren.
Na de crematie dient de as minimaal een maand bewaard te worden (artikel 59, lid 1 Wlb). Na 6 maanden wordt de as uitgestrooid. Het uitstrooien van de as vindt in beginsel plaats op een uitstrooiveld van een van de aangewezen gemeentelijke begraafplaatsen.
Melden zich in deze tijd (binnen 6 maand na crematie) nabestaanden tot en met de 2e graad, dan kan de asbus alsnog ter beschikking worden gesteld.
Beleidsregel 11: Lijkbezorgingen in opdracht van de gemeente vinden in beginsel plaats in de vorm van een crematie.
In afwijking van beleidsregel 11 geeft de gemeente opdracht tot begraving als:
de identiteit van de overledene niet bekend is, of
er sprake is van een misdrijf, of
als een zwaarwegende geloofsovertuiging van de overledene zich tegen een crematie verzet, of
als aantoonbaar vast komt te staan dat het de wens van de overledene is om zijn lichaam te laten begraven.
Beleidsregel 12: De gemeente kan in afwijking van beleidsregel 11 overgaan tot begraving in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats.
Bij begraven blijft de gemeente in beginsel rechthebbende op het graf. Er is in die situatie geen mogelijkheid tot het (later) plaatsen van een grafmonument of een andersoortig gedenkteken. Het graf kan na de duur van 10 jaar geruimd worden.
Ook rondom een begrafenis van gemeentewege gelden de daarop betrekking hebbende verordeningen en aanverwante regelgeving.
Beleidsregel 13: Bij een begrafenis van gemeentewege op een gemeentelijke begraafplaats blijft in beginsel de gemeente rechthebbende op het graf.
Het is mogelijk dat bij naspeuring of uit de administratie van de overledene blijkt dat deze een (kapitaal) uitvaartverzekering heeft afgesloten. Is dit het geval, dan vraagt de gemeente de uitvaartverzorger deze gelden, indien van toepassing, tot maximaal de hoogte van de kosten van een uitvaart op gemeentelijke kosten te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur.
Mocht de overledene een naturaverzekering hebben dan worden de kosten voor een gemeentelijke uitvaart gedekt uit een landelijk met verzekeraars overeengekomen uitkeringsbedrag.
Beleidsregel 14: De gemeente geeft de uitvaartverzorger opdracht de uitvaart op zich te nemen en te onderzoeken of er sprake is van een (kapitaal)uitvaartverzekering.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Cremeren, begraven of ter beschikking stellen van de wetenschap
Onderdeel van Beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Zevenaar