Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.1.4

Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen

Onderdeel van Bouwverordening 2003

1.. Indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt gevraagd, tevens vergunningplichtig is ingevolge de Monumentenwet 1988, de provinciale dan wel de gemeentelijke monumentenverordening en de aanvrager bij de aanvraag om bouwvergunning niet de in art. 1.2.6, onder c, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten bedoelde bescheiden heeft overgelegd, kan de aanvraag om bouwvergunning tevens worden beschouwd als aanvraag voor de benodigde monumentenvergunning, onverminderd de in het kader van art. 12 van de Monumentenwet 1988, dan wel in het kader van de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, nader te stellen eisen omtrent de wijze van inrichting van een aanvraag om een monumentenvergunning. 2.. Indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt gevraagd, niet kan plaatsvinden zonder sloopwerkzaamheden waarvoor op grond van art. 8.1.1 een sloopvergunning is vereist en de aanvrager bij de aanvraag om bouwvergunning niet de in paragraaf 1.2.5, onder d, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten bedoelde bescheiden heeft overgelegd, kan de aanvraag om bouwvergunning tevens worden beschouwd als aanvraag voor de benodigde sloopvergunning, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent de wijze van inrichting van een aanvraag om sloopvergunning in art. 8.1.2 en met dien verstande dat een dergelijke aanvraag om sloopvergunning niet geldt als een melding van het voornemen tot slopen als bedoeld in art. 8.2.1. 3.. Indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt gevraagd, niet kan plaatsvinden zonder onttrekking, samenvoeging of omzetting van woonruimte waarvoor vergunning is vereist krachtens art. 30, eerste lid, van de Huisvestingswet, kan de aanvraag om bouwvergunning tevens worden beschouwd als een aanvraag om die vergunning, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent de wijze van inrichting van een dergelijke aanvraag om vergunning in de Huisvestingsverordening. 4.. Indien het bouwen waarvoor bouwvergunning wordt gevraagd, tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een gebruiksvergunning is vereist krachtens art. 6.1.1 van deze verordening, kan de aanvraag om bouwvergunning tevens worden beschouwd als aanvraag voor de benodigde gebruiksvergunning, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent de wijze van inrichting van een aanvraag om een gebruiksvergunning in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van deze verordening. 5.. Indien een aanvraag om bouwvergunning tevens wordt beschouwd als een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt de aanvrager daarvan door of namens Burgemeester en Wethouders in kennis gesteld binnen zes weken na indiening van de aanvraag om bouwvergunning dan wel binnen twee weken nadat de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is aangevuld. 6.. Indien een aanvraag om bouwvergunning tevens wordt beschouwd als een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt als datum van indiening van een dergelijke aanvraag aangehouden de datum van de kennisgeving als bedoeld in het vijfde lid, tenzij bij die kennisgeving een eerdere datum van indiening is aangegeven. 7.. Indien een aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet (verder) in behandeling wordt genomen, kunnen Burgemeester en Wethouders besluiten om een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid eveneens niet (verder) in behandeling te nemen, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent het in behandeling nemen van een dergelijke aanvraag. 8.. Indien een bouwvergunning op grond van art. 59 van de Woningwet wordt ingetrokken, kunnen Burgemeester en Wethouders besluiten om een vergunning als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid eveneens in te trekken, onverminderd de toepasselijke bepalingen omtrent het intrekken een dergelijke vergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel