Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.1.5

Bodemonderzoek

Onderdeel van Bouwverordening 2003

1.. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in art. 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent verkennend onderzoek, verricht volgens de Amsterdamse Richtlijn Verkennend Onderzoek, zoals vastgesteld door Burgemeester en Wethouders; de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens het Protocol voor het nader onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn nader onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een dergelijk onderzoek onontkoombaar is; een saneringsplan, zoals bedoeld in art. 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming, in het geval dat de resultaten van het verkennend dan wel nader onderzoek uitwijzen dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers; de namens Burgemeester en Wethouders uitgevoerde beoordeling van de opzet van het onderzoeksrapport, waaronder wordt verstaan de opzet van het verkennend onderzoek als bedoeld onder a, alsmede de motivering voor het wel of niet uitvoeren van een nader onderzoek als bedoeld onder b en tevens de moti-vering voor het wel of niet opstellen van een saneringsplan als bedoeld onder c. 2.. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet indien: het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikel 2 en 3 van bijlage II; ontheffing is verleend op grond van art. 2.4.1, vierde lid. 3.. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor de toepassing van art. 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel