Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.4.1

Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Onderdeel van Bouwverordening 2003

1.. Op een bodem die zodanig is verontreinigd, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en 1° dat de grond raakt, of 2° waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. 2.. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die, ongeacht hun bestemming, hoewel regulier vergunningplichtig, naar hun aard en omvang gelijk zijn aan een bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in het Besluit bouwwerken. 3.. Burgemeester en Wethouders stellen richtlijnen vast, inhoudende een kwalitatief toetsingskader, ter uitwerking van het beoordelingsaspect in het eerste lid, met inachtneming van het door de Gemeenteraad geformuleerde beleid op het gebied van bodemsanering. 4.. Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, in die situaties waarin, gelet op de aard van de werkzaamheden of de aard en de functie van het bouwwerk in relatie tot het doel van het verbod, een toets aan de verbodsbepaling niet redelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel