Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.5.28

Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte

Onderdeel van Bouwverordening 2003

1.. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21 eerste en derde lid, en 2.5.22, eerste lid, 2.5.23  en 2.5.24 kan het  bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen, bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; gebouwen, indien het belang van het stadsschoon daartoe aanleiding geeft; gebouwen, bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf, indien de aard daarvan aanleiding ertoe geeft; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energie-voorziening of het telecommunicatieverkeer, al dan niet van openbare aard, voorzover niet reeds zonder bouwvergunning toelaatbaar op grond van art. 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken; het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, voorzover niet reeds zonder bouwvergunning toelaatbaar op grond van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en indien: 1º de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en het belang van het stadsschoon daartoe aanleiding geeft; 2º bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 m; dakkapellen; topgevels, breder dan 6 m, en gevelverhogingen van soortgelijke aard; - draagconstructies voor een reclame; schoorstenen, kanalen en leidingen; antennes, voorzover niet reeds zonder bouwvergunning toelaatbaar op grond van artikel 2, onderdelen 15, 16 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht . 2.. De ontheffingen, vermeld in het eerste lid, mogen ook worden verleend, indien dientengevolge strijd zal ontstaan met het bepaalde in art. 2.5.1 ten aanzien van een gebouw aan de overzijde van de weg ten behoeve van het oprichten of uitbreiden van een gebouw in de zones A en B, indien het gebouw aan de overzijde van de weg de maximummaten krachtens de artikelen 2.5.20, 2.5.21 en 2.5.23 overschrijdt, mits het op te richten, te vernieuwen, te veranderen of te vergroten gebouw niet hoger wordt dan het bestaande.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel