Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 5.1.1

Toestand en staat van onderhoud van open erven en terreinen, van sloten en andere wateren nabij gebouwen en van niet-openbare riolen en putten

Onderdeel van Bouwverordening 2003

1.. Open erven en terreinen, sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. 2.. Open erven en terreinen, sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers, gebruikers van nabijgelegen bouwwerken of anderen, ten gevolge van: onvoldoende afvoer van water en/of drassigheid; stank; verontreiniging; aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; aanwezigheid van begroeiing. 3.. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, en anders dan in art. 4.9, moet een terrein dat kennelijk is bestemd voor bebouwing, zolang deze bestemming niet is gerealiseerd, op doeltreffende wijze van de openbare weg zijn afgescheiden, met dien verstande dat dit in de zones A en B als bedoeld in art. 1.3 dient te geschieden door een eensteensmuur, met een hoogte van 3 m, afgedekt met glasscherven, vastgezet in portland cementspecie, en voorzien van een deur met een breedte van maximaal 1 m. 4.. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid. 5.. Het bevoegd gezag kan bepalen dat het derde lid niet van toepassing is op één of meer zones of gedeelten van zones als bedoeld in art. 1.3, uitgezonderd de zones A en B.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel