Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 11

Algemeen

Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VEILIGHEIDSREGIO GRONINGEN

1.. Aan het hoofd van de regeling staat het algemeen bestuur. 2.. Het algemeen bestuur wordt gevormd door de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. 3.. De colleges van de deelnemende gemeenten wijzen uit hun midden tenminste één plaatsvervanger aan. Hiervan wordt schriftelijk melding gemaakt aan de regeling. Deze plaatsvervanger dient te voldoen aan de vereisten voor het lidmaatschap gesteld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. 4.. Op de benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter is het daartoe bepaalde in de Wet veiligheidsregio’s van toepassing. 5.. Uit en door het algemeen bestuur worden de penningmeester en de plaatsvervangend voorzitter aangewezen. 6.. Het plaatsvervangend lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het plaatsvervangend lid de hoedanigheid verliest op grond waarvan hij als zodanig is aangewezen. 7.. De zittingsperiode van de plaatsvervangend leden van het algemeen bestuur is gelijk aan de zittingsperiode van de leden van de gemeenteraad, met inachtneming van de demissionaire periode waarin wethouders hun functie nog uitoefenen in afwachting van het aantreden van het nieuwe college. De aanwijzing vindt plaats in het jaar waarin de verkiezingen voor de gemeenteraad worden gehouden, zo spoedig mogelijk na het aantreden van het nieuwe college en overigens zo spoedig mogelijk na het ontstaan van een vacature. 8.. Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan het college van zijn gemeente zo spoedig mogelijk de door een of meer leden van dat college in zijn vergadering of schriftelijk gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het algemeen belang. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend leden. 9.. Het college kan de burgemeester van zijn gemeente en een door hem aangewezen plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienen te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Deze verantwoording wordt afgelegd binnen twee maanden nadat het lid respectievelijk het plaatsvervangend lid daarom door het college is verzocht. 10.. Het algemeen bestuur kan zich door deskundigen doen bijstaan.

Rechtspraak bij dit artikel