Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Binnenhavengeldverordening Beroepsvaart 2011

In deze verordening wordt verstaan onder: binnenschip: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor lokaal, interlokaal dan wel internationaal bedrijfsmatig vervoer van goederen te water waarop de Wet vervoer binnenvaart van toepassing is; binnenwater: het openbaar water dat niet tot de haven behoort; drijvend object: drijvende werktuigen ten dienste van de overslag van ladingen of het verrichten van technische werken ten behoeve van de scheepvaart; haven: het IJ, het Buiten IJ, het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal en alle daarop uitkomende wateren tot de begrenzing zoals weergegeven op de kaart behorende bij de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2010 (bijlage 1); havendienst: de Nautische sector, ressorterend onder de Haven Amsterdam; laadvermogen: het in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van het schip bij de grootst toegelaten diepgang en die van het ledige schip; meetbrief: het document als bedoeld in artikel 782, vierde lid, van het Wetboek van Koophandel juncto het Besluit binnenschependocumenten (besluit van 24oktober 1983, Staatsblad nr. 548); milieuvriendelijke wijze: zelfstandig aangedreven door een elektromotor of een waterstofmotor of op spierkracht; openbaar gemeentewater: alle wateren gelegen binnen de gemeentegrenzen die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; schip: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; onder schip wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, werkeilanden, een drijvende kraan, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; tabel: de bij deze verordening behorende tarieventabel (bijlage 2); termijn: een in de tarieventabel vermeld tijdvak waarin het gebruik plaatsvindt, waarbij wordt bedoeld onder: 1. doorvaart: een ononderbroken enkele reis door Amsterdam via een van de hoofdvaarwegen (Amstelroute en Kostverlorenvaartroute). Voor vaartuigen waarvoor de spoorbruggen bediend moeten worden geldt een maximum duur van 24 uur; 2. 7, 10, 14 dagen: een aaneengesloten tijdvak van respectievelijk 7, 10 en 14 maal 24 uren, beginnende op het tijdstip van aankomst; 3. dag: een kalenderdag; 4. een kwartaal: een kalenderkwartaal; 5. een jaar: een kalenderjaar; ton: een massa van 1000 kilogram; vaartuig: een drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het dragen of vervoer te water van personen of goederen, of voor het dragen of vervoer van al dan niet met het drijvende lichaam een geheel uitmakende voorwerpen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel