Bij een begrafenis op een Algemene begraafplaats blijft in beginsel de gemeente rechthebbende op het graf.
Bij begraven blijft de gemeente rechthebbende op het graf. De gemeente voert de uitvaart zo sober mogelijk uit en plaatst geen gedenkteken op het graf. Daarbij past niet het plaatsen van een grafmonument. Wanneer nabestaanden alsnog een grafmonument op het graf willen plaatsen, is zowel de plaatsing als het onderhoud ervan op eigen kosten.
Voor alle duidelijkheid: voor een begrafenis van gemeentewege gelden de daarop betrekking hebbende verordeningen en aanverwante regelgeving.
Het graf wordt na afloop van de gebruikstermijn van 10 jaar geruimd. Voor de nabestaanden gelden daarna dezelfde rechten als voor overige nabestaanden van algemene graven.
Fase 3- Na de uitvaart
De laatste fase van de lijkbezorging kenmerkt zich door het vaststellen van de totale kosten, het onderzoek/uitvoering naar/van verhaalsmogelijkheden op geld en goederen van de overledenen, vervolgens op nalatenschap en de nabestaanden.
Artikel 22 van de Wlb bepaalt dat de gemeente de kosten van de gemeentelijke uitvaart kan verhalen op de nalatenschap van de overledene en bij ongenoegzaamheid van deze op de bloed- en aanverwanten die krachtens artikelen 392-396 van boek 1 BW tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. De kosten van de lijkbezorging is een schuld van de nalatenschap van de overledene, zo bepaalt artikel 7 van Boek 4 BW.
Onder nalatenschap wordt verstaan het geheel van bezittingen en schulden dat de overledene nalaat. Onder bezittingen vallen ook uitkeringen, die nog worden verstrekt na het overlijden. Kosten van lijkbezorging zijn een bevoorrechte vordering, zo bepaalt artikel 288, onderdeel b, van Boek 3 BW:
De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van:
b.de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.