Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10.

Artikel 10.3

Overgangsbepalingen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025

Een cliënt die woont in een instelling zonder behandeling, die valt onder de Wet langdurige zorg, houdt recht op een roerende woonvoorziening of individuele vervoersvoorziening verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarmee het recht wordt ingetrokken vanwege de wijziging in de Wet langdurige zorg. Een cliënt die krachtens de Verordening geldend tot 1 januari 2022 recht heeft op beschermd vervoer, behoudt dit recht, met inachtneming van de kilometerbeperking ingevolge art. 4.9, lid 6 van deze Verordening, evenals de verplichting om hiervoor de eigen bijdrage te betalen ingevolge art. 6.3.1, lid 10 van deze Verordening. Een cliënt met een lopende Pgb beschikking voor Beschermd Wonen op 1 juli 2023, behoudt de voorziening tot er een herindicatie heeft plaatsgevonden. Daarnaast behoudt de cliënt tot uiterlijk 1 juli 2026, het recht op het bijbehorende rekentarief. Het rekentarief is gebaseerd op (de voor 1 juli 2023) geïndiceerde onderdelen van de GGZ-C Zorgzwaartepakketten (ZZP) 3 tot en met 5 conform de AWBZ 2014. Het behoudt van het recht op de voorziening en het rekentarief geldt zolang wordt voldaan aan de voorwaarden voor een pgb, begeleid thuis en de eventuele bijbehorende maatwerkvoorzieningen (Dagbesteding en Hulp bij het Huishouden).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel