Naar hoofdinhoud
1.. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2.. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de voorlaatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd en of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. 3.. In afwijking van het tweede lid wordt ingeval er geen opgave van het waterverbruik van de waterleidingmaatschappij voorhanden is: bij percelen die in hoofdzaak tot woning dienen, het waterverbruik gesteld op het aantal bewoners, maal 45 m³ per belastingjaar. bij percelen die niet in hoofdzaak dienen tot woning het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik van vergelijkbare bedrijven. 4.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of; bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd en of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar en berekenbaar niet is afgevoerd en voor zover de vermindering leidt tot een vermindering van minimaal twee staffels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel