Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.9

Voorwaarden en weigeringsgronden voor hulp-op-maat

Onderdeel van Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas

(Jeugdwet l Wmo l Pw l Wgs) Vraagt de inwoner hulp­-op-­maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: de hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 2.2 genoemde wetten te bereiken; de inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere (algemene) voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of organisaties, en; de hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden en weigeringsgronden gesteld. De hulp-­op-­maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. Als er sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of hulp-op-maat (Wmo; zowel persoonsgebonden budget als Zorg in Natura) voor onbepaalde tijd passend is. De gemeente onderzoekt periodiek of de hulp-op-maat nog passend is. Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de hulp-op-maat. De gemeente kan hulp-­op-­maat weigeren als: de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien of voorkomen (verwijtbaar gedrag); de inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft voor datum melding; de inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft tussen datum melding en voordat gemeente een besluit heeft genomen. Deze regel geldt niet als de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening achteraf nog te beoordelen is; de gemeente de noodzaak van de gevraagde hulp niet kan vaststellen; de gevraagde voorziening al eerder van de gemeente is ontvangen en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening is nog niet verstreken. Dit geldt niet als de voorziening verloren is gegaan terwijl dit niet de schuld van de inwoner is; de voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.

Rechtspraak bij dit artikel