In afwijking in zoverre van art. 3 wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voorzover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
**a..** roerende bedrijfsruimten, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van land- of bosbouw;
**b..** glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
**c..** roerende bedrijfsruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
**d..** roerende bedrijfsruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
**e..** roerende bedrijfsruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
**f..** roerende bedrijfsruimten die in hoofdzaak worden gebruikt voor het geven van basisonderwijs;
**g..** roerende bedrijfsruimten, voorzover die zijn bestemd, te worden gebruikt ten behoeve van begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria;
**h..** werktuigen die van een roerende ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken.
Hoofdstuk
Artikel 6
Vrijstellingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2006