Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 3.2.7

(2.28 oud) Bedrijfsklaar hebben van een schip

Onderdeel van Verordening op de haven en het binnenwater 2006

1.. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens het VBG en het elders in deze verordening bepaalde is de kapitein van een zeeschip, dat gelegen is buiten het oliehavengebied, verplicht zodanige voorzorgen te treffen dat hij met zijn schip binnen twee uur de haven kan verlaten. 2.. De kapitein of schipper van een tankschip dat is of wordt geladen met gevaarlijke of schadelijke stoffen danwel daarvan ledig is, is verplicht ervoor te zorgen dat sleeptrossen in noodgevallen voor onmiddellijk gebruik gereed zijn op het voor- en achterschip. De sleeptrossen dienen van staaldraad te zijn, belegd met voldoende lengte aan dek en voorzien van een oog dat zodanig is vastgezet met een breekeind dat dit oog tot op de waterlijn is afgevierd. 3.. De in het tweede lid opgenomen verplichting is niet van toepassing op een tankschip waarvan de bolders zich minder dan twee meter boven het wateroppervlak bevinden. 4.. De kapitein of schipper van een tankschip dat is of wordt geladen met gevaarlijke of schadelijke stoffen danwel daarvan ledig is, is verplicht ervoor te zorgen dat de ankers in de kluizen zijn thuisgehaald. 5.. De in het tweede en vierde lid genoemde verplichtingen zijn van toepassing op alle schepen die zijn afgemeerd in het oliehavengebied. 6.. Het College kan van de in het eerste, tweede en vierde lid opgenomen verplichtingen ontheffing verlenen.

Rechtspraak bij dit artikel