**1..** Het raadslid dat sedert het aanvaarden van het raadslidmaatschap, dan wel tijdens het genot van de uitkering als bedoeld in artikel 10, voor ten minste 25% algemeen invalide is geworden, heeft recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een gelijk recht komt toe aan het raadslid wiens algemene invaliditeit sedert het aanvaarden van het raadslidmaatschap is toegenomen. In dit laatste geval betreft het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uitsluitend de toename van de arbeidsongeschiktheid.
**2..** Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, de hoogte van het uitkeringsbedrag, (her)keuringen en de ingangsdatum van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn doorslaggevend de bepalingen uit de Wet op de arbeidsongeschiktheid.
**3..** Het College van Burgemeester en Wethouders stelt het percentage van de algemene invaliditeit vast op basis van de resultaten van een door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen geneeskundige. De aan de bedrijfsvereniging toekomende bevoegdheden worden uitgeoefend door het College van Burgemeester en Wethouders.
**4..** Het College van Burgemeester en Wethouders wijzigt ambtshalve of op verzoek van belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de invaliditeitsgraad. Wijziging van het percentage algemene invaliditeit geschiedt op basis van de uitkomst van geneeskundig onderzoek. Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd, een nieuw onderzoek te doen instellen.
Hoofdstuk
Artikel 11
De arbeidsongeschiktheidsuitkering
Onderdeel van Verordening vergoedingen raads- en commissieleden 2003