Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10.

Artikel 10.3.

Gemiddelde vervoersbehoefte

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2024

Met een vervoersvoorziening moet de inwoner in staat gesteld worden om zich per jaar minimaal 1500 kilometer te verplaatsen. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of er een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische situatie van de inwoner. Aanpassing omvang bij grotere vervoersbehoefte Een verhoging van het aantal beschikbaar gestelde kilometer kan aan de orde zijn in situaties dat frequenter vervoer noodzakelijk is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij intensieve medische behandeling (waarbij het vervoer niet vergoed wordt door de zorgverzekeraar) of bij een partner die in een verpleeghuis verblijft, waardoor de beschikbaar gestelde vervoersvoorziening bijna volledig door dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende vervoersvoorziening verstrekt worden. Aanpassing omvang bij combinatie met andere vervoersvoorziening(en) Als gebruik wordt gemaakt van een andere verstrekte vervoersvoorziening zoals een scootmobiel of driewielfiets of als gebruik wordt gemaakt van een eigen vervoersmiddel kan een aanpassing plaatsvinden in het aantal verstrekte kilometers. Het aantal kilometers kan worden verlaagd, afhankelijk van de mate waarin de andere vervoersvoorziening/het andere vervoersmiddel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de vervoersvoorziening, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Tenslotte kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening indien het gaat om een vervoersvoorziening voor kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte.

Rechtspraak bij dit artikel