**1..** De splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien:
de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en
de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.
**2..** De beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning wordt aangehouden, indien redelijkerwijs mag worden verwacht dat de aanvrager van de vergunning tot splitsing de gebreken als bedoeld in het eerste lid met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen binnen een daarvoor door Burgemeester en Wethouders gestelde termijn. Het gestelde in de vorige zin is in ieder geval van toepassing, indien een handhavingsbesluit ingevolge artikel 1b, tweede lid Woningwet is genomen of is aangeschreven ingevolge artikel 13 of 13a Woningwet.
**3..** Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt daarbij tevens bepaald dat de vergunning wordt verleend, indien de in het besluit tot aanhouding aangegeven gebreken zijn opgeheven binnen de daartoe in dat besluit aangegeven termijn. In geval van een handhavingsbesluit of aanschrijving als bedoeld in het tweede lid, wordt in het besluit tot aanhouding met betrekking tot de op te heffen gebreken en de daarvoor geldende termijn verwezen naar die aanschrijving. Nadat door Burgemeester en Wethouders is vastgesteld dat de voorzieningen zijn getroffen, wordt met inachtneming van de Bouwverordening Amsterdam 2003 binnen vier weken beslist op een aanvraag om een splitsingsvergunning.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 3.2.11
Weigerings- en aanhoudingsgronden splitsingsvergunning in verband met de toestand van het gebouw
Onderdeel van Huisvestingsverordening 2007