In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen, parkeerterreinen of paden, de daarin liggende bruggen en duikers, alsmede de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
b. voertuigen: alle voertuigen, met uitzondering van treinen en trams, fietsen en bromfietsen in de zin van het Wegenverkeersreglement en kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen en rolstoelen;
c. parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken.