Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.19

Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 1994

1.. Het is verboden, tegen de wil van de bewoner of de gebruiker van een gebouw of vaartuig: te leunen tegen een deur, raam of vensterbank dan wel zich op andere wijze hinderlijk in de onmiddellijke omgeving van het gebouw op te houden; zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze te bevinden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten in dat gebouw. 2.. Het is verboden, zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of bij een portiek, een portaal, een telefooncel, een parkeergarage of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimten zijn bestemd.

Rechtspraak bij dit artikel