Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.26

Artikel 2.26

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 1994

1.. Het is verboden, van het openbaar vervoer en daarbij behorende voorzieningen gebruik te maken op zodanige wijze dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat dit geschiedt met het oogmerk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend goed weg te nemen. 2.. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, degene die het in het eerste lid gestelde verbod overtreedt, het gebruik van door hen aan te wijzen lijnen van het openbaar vervoer voor ten hoogste zes maanden te ontzeggen. 3.. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op treinen in de zin van de Spoorwegwet, noch op stadsspoorwegen en tramwegen in de zin van de Lokaalspoor- en Tramwegwet.

Rechtspraak bij dit artikel