De Burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
a. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen;
b. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 12.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden;
c. het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden;
d. in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf;
e. de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aan-wezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld;
f. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 12.5, onder a en b, gestelde eisen;
g. de exploitant de in artikel 12.7 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt;
h. de exploitant het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.
Hoofdstuk
Artikel 12.9
Gronden voor intrekking vergunning
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 1994