Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 4.12

Criteria voor vervoer

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Pijnacker-Nootdorp 2025

1.. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zijn de jeugdige of zijn ouders in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder en kent het college geen vervoersvoorziening toe. 2.. Een vervoersvoorziening van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder wordt alleen toegekend als: de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp; de jeugdige niet zelfstandig of onder begeleiding met het openbaar vervoer, auto, fiets of ander vervoersmiddel van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder kan reizen vanwege een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid; er sprake is van bovengebruikelijke hulp als bedoeld in artikel 4.3 waardoor ouders de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige mee kunnen reizen; personen uit het sociaal netwerk de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige kunnen meereizen, en de jeugdige zonder vervoersvoorziening geen toegang heeft tot de aangewezen individuele voorziening voor jeugdhulp. 3.. Vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder is alleen mogelijk als de afstand van een enkele reis tussen het woon- of verblijfadres van de jeugdige en de locatie van de jeugdhulpaanbieder meer dan zes kilometer bedraagt. De route wordt berekend volgens de ANWB-routeplanner voor de kortste, veilige route, ongeacht het vervoersmiddel of de route die feitelijk wordt gebruikt. 4.. Er is sprake van een medische noodzaak voor vervoer als bedoeld in lid 2 onderdeel b als: sprake is van medisch vervoer (ziekenvervoer) dat redelijkerwijs niet door ouders of het sociaal netwerk kan worden geboden omdat zij niet beschikken over het benodigde vervoersmiddel, de benodigde medische apparatuur of de benodigde medische of verpleegkundige vaardigheden; een medische noodzaak kan vastgesteld worden middels een medische verklaring van een arts of medisch specialist. 5.. Onder beperkingen in de zelfredzaamheid als bedoeld in lid 2 onderdeel b wordt verstaan dat: de jeugdige jonger is dan 12 jaar en ouders aannemelijk hebben gemaakt dat de jeugdige niet zelfstandig met het openbaar vervoer, fiets of ander vervoersmiddel kan reizen; de jeugdige ernstige gedrags- of psychosociale problemen heeft waardoor zelfstandig of onder begeleiding reizen met het openbaar vervoer, fiets, auto of ander vervoersmiddel onmogelijk is, of de jeugdige ernstige gedrags- of psychosociale problemen heeft welke het vervoeren in de auto voor de ouders of andere personen uit het sociale netwerk onmogelijk maakt; het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als een beperking in de zelfredzaamheid. 6.. In de volgende gevallen is het reizen met het openbaar vervoer in ieder geval niet mogelijk: bij het ontbreken van een verbinding met het openbaar vervoer, en bij een reistijd van meer dan anderhalf uur voor een enkele reis tussen de woon- of verblijfsplaats van de jeugdige en de jeugdhulplocatie. 7.. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor: ouders; andere locaties dan de locatie waar de reeds toegekende jeugdhulp wordt geboden. 8.. Als de jeugdige en/of zijn ouders ervoor kiezen de jeugdhulp in te zetten bij een aanbieder die de hulp verder weg biedt dan de meest passende en dichtstbijzijnde hulp, dan komen de meerkosten hiervan, de (hogere) vervoerskosten, voor eigen rekening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel