Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 17

Artikel 17.5

Verplichtingen

Onderdeel van Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht

1. . De subsidie-ontvanger is verplicht: een overeenkomst te sluiten met de deelnemers aan het project Realisatie extensief kruidenrijk grasland, waarbij de subsidie-ontvanger de deelnemers selecteert; De concept-overeenkomsten met de deelnemers worden ter goedkeuring voorgelegd aan de provincie Utrecht; ervoor zorg te dragen dat uit de overeenkomst blijkt dat: de deelnemer bereid is tot deelname aan het project gedurende in totaal vier jaar; de activiteiten, bedoeld in artikel 17.1, uiterlijk 1 jaar na de datum van de subsidieverlening worden gestart; de resultaten van de activiteiten minimaal 8 jaar na realisatie in stand worden gehouden door beheer en onderhoud; de deelnemer akkoord gaat met het afsluiten van een ANLb-beheercontract voor extensief kruidenrijk grasland, minimaal type 2, zodra dit beschikbaar komt binnen de projectperiode, voor minimaal 6 jaar; het grasland niet wordt gescheurd, gespit, geploegd of gefreesd. Percelen die al meerdere jaren blijvend en/of permanent grasland komen eerder in aanmerking voor deze subsidie dan percelen die eerder bouwland (bijvoorbeeld mais) waren, en daarvoor recent gescheurd en/of geploegd zijn; geen of zeer beperkt (maximaal 100 kg N/ha/jaar) bij voorkeur vaste mest wordt opgebracht; er afspraken over beweiding zijn gemaakt; er niet voor 15 juni gemaaid wordt, tenzij dit naar het oordeel van het collectief ten behoeve van de verschraling wel gewenst is; er bij voorkeur per maaibeurt minimaal 10% van de oppervlakte niet gemaaid of geklepeld wordt (ook de laatste snede voor de winter). De ligging van het niet-gemaaide deel mag per maaibeurt rouleren; aanwezige nesten en/of kuikens beschermd worden door: ze te ontzien van alle landbouwkundige bewerkingen; het aantoonbaar zoeken naar de nesten (nestregistratie aanwezig); tenminste minimaal 50 m2 rondom gevonden nesten niet te maaien; alleen overdag bij voldoende daglicht te maaien. er geen kunstmest op het perceel wordt gebruikt; er bij voorkeur geen chemische onkruidbestrijding plaatsvindt, alleen indien noodzakelijk en met toestemming van het Collectief, pleksgewijs (max 10% van de oppervlakte) voor haarden van probleemonkruiden, zoals akkerdistel, jacobskruiskruid, brandnetel, krulzuring en ridderzuring. Handmatige onkruidbestrijding heeft de voorkeur. Chemisch glyfosaat is niet toegestaan. 2. . De subsidie-ontvanger deelt de bij de realisatie van extensief kruidenrijk grasland opgedane ervaringen en kennis ten minste éénmaal per jaar met andere (melk-)veehouders en de provincie. 3. . De subsidie-ontvanger neemt deel aan HERBGRAS (herkennen en beheren kruidenrijk grasland). 4. . Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU dient de subsidie-ontvanger jaarlijks voortgangsrapportages in over het voorafgaande jaar. De rapportage, inclusief kennisuitwisselingsactiviteiten, wordt uiterlijk 1 februari ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. Deze rapportage bevat: een financieel overzicht van de uitgekeerde bedragen aan de deelnemers; en een beschrijving van de activiteiten (inclusief bodem-, water-, mest-, gras- en/of kuilanalyses) met een vergelijking tussen de begroting en daadwerkelijke uitgaven en gerealiseerde hectares. 5. . De subsidie-ontvanger voegt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie: een verantwoording van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten door minimaal: een omschrijving of weergave van de startsituatie; een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden; een omschrijving of weergave van de eindsituatie; een GIS-kaart met daarop een overzicht en locaties van de percelen met het gerealiseerde extensieve kruidenrijk grasland type 2 en 3 in hectares; een verantwoording van de subsidiabele kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel