In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Bebouwd oppervlak
Het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw.
Biodiversiteit
Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom. Het gaat daarbij om verscheidenheid aan genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen). Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende soorten en lagen van veelal inheemse plantensoorten die samen als robuust ecosysteem werken. Enkel bomen en gras geeft weinig biodiversiteit; juist verscheidenheid aan plantensoorten zorgt voor o.a. voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten. Het behouden en versterken van biodiversiteit is gericht op het toepassen van een variëteit aan soorten en mogelijkheden.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit:
Een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
College:
Het college van burgemeester en wethouders.
Doelsoorten
Om de biodiversiteit te stimuleren zijn doelsoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze soorten gericht een habitat te realiseren, wordt de omgeving geschikt voor veel meer soorten die gebruik maken van dezelfde natuurtypen, en wordt er aandacht besteed aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede kwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied. De doelsoort dient als een indicator voor de kwaliteit van een bijbehorend natuurtype. Na verloop van tijd kunnen op basis van diens aanwezigheid conclusies worden getrokken over het succes van de gebiedsgerichte aanpak.
Ecologische V’s
Met de ecologische V’s worden de habitatvoorwaarden bedoeld die een doelsoort nodig heeft om een geschikte leefomgeving te hebben. Het gaat om Voedsel, Verblijfplaatsen. Voortplantingsplaatsen, Verbindingen en Veiligheid.
Habitat
Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Een habitat bestaat uit de biotische en abiotische eisen van het organisme, oftewel: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen.
Gebouwbewonende soorten
Gebouwbewonende soorten zijn diersoorten die zich hebben aangepast aan het leven in of rond door mensen gemaakte structuren, zoals gebouwen, bruggen, en andere constructies. Deze dieren gebruiken gebouwen als hun leefomgeving voor schuilplaatsen, nestplaatsen, of voedselbronnen. Voorbeelden van gebouwbewonende soorten zijn in deze beleidsregel huismussen, gierzwaluwen, en diverse vleermuizen.
Natuurinclusief bouwen en inrichten:
Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een bouwwerk en de omgeving bijdragen aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Het zorgt voor een plus ten opzichte van de eerdere situatie.
Natuurtypen
Natuurtypen bestaan uit biotische en abiotische factoren (levende organismen en bijvoorbeeld water, zand en stenen. In stedelijk gebied zijn o.a. water en bijbehorende oevers zoals bijvoorbeeld vijvers en sloten, bomen, parken en zomen, bloemrijk grasland, gazon, en steeds vaker ook groene daken en gevels. Deze natuurtypen kunnen worden gebruikt voor het afstemmen van afspraken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu, zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden
Nieuwbouw
Het nieuw bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Plangebied:
Een plangebied is een terrein waar een overheid samenhangende opvattingen of regels voor vastlegt. Voor natuurinclusief bouwen en inrichten staat het gelijk aan het gebied binnen de plangrenzen zoals aangeduid vanuit ruimtelijke ordening.
Transformatie:
Functiewijziging van bestaande bebouwing (bijvoorbeeld van kantoor naar woning).