In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemene warenmarkt: markt waarop in beginsel alle waren worden verhandeld;
ambulante handel: straathandel, uitgeoefend op een markt-, staan- of ligplaats, of in de hoedanigheid van venten;
branchepatroon: de indeling in groepen van waren en het aantal vastgestelde plaatsen per warengroep per markt;
bijzondere warenmarkt: markt waarop slechts één of een beperkt aantal waren wordt verhandeld;
het college: het college van burgemeester en wethouders;
dagmarkt: markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden;
initiatiefplaats: een op initiatief van een koopman aangewezen staan- of ligplaats waarvoor voor de eerste maal vergunning wordt verleend;
jaarmarkt: markt die ten hoogste vier keer per jaar voor een gezamenlijke duur van ten hoogste vier weken wordt gehouden;
kind: elk kind ten aanzien waarvan de ingeschrevene in het register een wettelijke onderhoudsplicht heeft of heeft gehad;
levenspartner: de echtgenoot of geregistreerde partner van de vergunninghouder, dan wel de persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk duurzaam samen te wonen ten minste twee jaar een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd;
losse plaats: marktplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
loteling: de ingeschrevene in het register die niet geplaatst is op de sollicitantenlijst van een markt;
lijstplaats: staan- of ligplaats die overeenkomstig de volgorde van plaatsing op de sollicitantenlijst wordt toegewezen;
markt: een door het college aangewezen gedeelte van de openbare weg of openbaar water, bestemd voor het uitoefenen van de markthandel door ten minste zeven vergunninghouders;
marktplaats: plaats op de markt, bestemd voor het uitoefenen van de markthandel;
register: het in artikel 2.1 bedoelde register voor de ambulante handel;
seizoensmarkt: markt die gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden;
sollicitant: de ingeschrevene in het register die geplaatst is op de sollicitantenlijst van een markt, niet zijnde de houder van een vergunning voor een vaste plaats of een voorkeurskaart;
staan- of ligplaats: plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend, niet zijnde venten;
standwerker: marktkoopman die publiek om zich heen verzamelt, een aansprekende uiteenzetting houdt over de door hem te verhandelen waren en ten slotte tracht een aantal personen gelijktijdig tot aankoop daarvan te bewegen;
standwerkerplaats: losse marktplaats, bestemd voor standwerkers;
vaste plaats: marktplaats die in beginsel voor onbepaalde tijd aan de vergunninghouder beschikbaar wordt gesteld;
venten: het uitoefenen van de ambulante handel, anders dan op een markt-, staan- of ligplaats, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van klanten nodig is;
verhandelen: het in voorraad houden, uitstallen, te koop aanbieden of verkopen van waren;
verpachten: het al dan niet door de vergunninghouder tegen betaling afstaan of in gebruik geven van zijn marktplaats aan een ander, die hierop voor eigen rekening en risico de ambulante handel uitoefent;
voorkeurskaart: schriftelijk bewijs dat sollicitanten voor een markt recht geeft op een plaats op die markt, niet zijnde een vaste plaats;
weekmarkt: markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden.