Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Omvang van het persoonsgebonden budget bij koop en huur van hulpmiddelen

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Voorschoten 2025

Lid 1. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel, driewielfiets en scootmobiel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf, inclusief standaard fabrieksopties, en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksjaren, ten hoogste: Type voorziening Bedrag (Aanschaf, verzekering en onderhoud hele periode) Handbewogen rolstoel voor continu gebruik € 3.680,00 Handbewogen rolstoel voor incidenteel/kortdurend gebruik € 675,00 Handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent/algemeen gebruik € 2.330,00 Handbewogen rolstoel voor actief gebruik €3.910,00 Handbewogen kinderrolstoel voor (semi) permanent/actief gebruik € 3.210,00 Handbewogen kinderrolstoel voor permanent gebruik € 4.430,00 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair binnen, maar ook om het huis € 11.010,00 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik, primair buiten, maar ook binnenshuis € 13.470,00 Elektrische kinderrolstoel € 14.710,00 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 8 km/uur) € 3.290,00 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (minimaal 10 km/uur) € 4.170,00 Scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (minimaal 15 km/uur) € 5.155,00 Sportvoorziening € 3.680,00 Standaard driewielfiets zonder hulpmotor € 4.300,00 Standaard driewielfiets met hulpmotor € 7.020,00 Lid 2. Voor hulpmiddelen geldt een aantal gebruiksjaren van 7 jaar. Voor een sportvoorziening is dit 3 jaar. Lid 3. Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Lid 4. De restwaarde van het hulpmiddel kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget Eerste jaar 60% Tweede jaar 50% Derde jaar 40% Vierde jaar 30% Vijfde jaar 20% Zesde jaar 10% Zevende jaar 0%

Rechtspraak bij dit artikel