Van een gezamenlijke huishouding is sprake als 2 personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit is bepaald in artikel 3 lid 3 van de Participatiewet, artikel 3 lid 3 IOAW en artikel 3 lid 3 IOAZ. Wanneer de uitkeringsgerechtigde een beroep doet op de kennismakingsperiode en voldoet aan de in deze beleidsregel gestelde voorwaarden, stellen wij dat gedurende maximaal 6 maanden er nog geen sprake is van het hebben van het hoofdverblijf in de woning van de ander.