Raadsleden zijn lid van beide raadscommissies, met inachtneming van lid 5.
Ook niet-raadsleden kunnen lid zijn. De artikelen 10, 11, 12, 13, 14 en 15 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op commissieleden die geen raadslid zijn.
De raad benoemt op voordracht van de fracties de niet-raadsleden als raadscommissielid. Fracties van vier of meer leden kunnen maximaal één niet-raadslid voordragen als lid van de raadscommissies. Fracties kleiner dan vier leden kunnen maximaal twee niet-raadsleden voordragen van de raadscommissies.
In een raadscommissie mag iedere fractie met maximaal drie leden, uitgezonderd de commissievoorzitter, vertegenwoordigd zijn. Per agendapunt kunnen maximaal twee commissieleden per fractie deelnemen aan de beraadslaging.
De raad benoemt de commissievoorzitters. Commissievoorzitters zijn geen lid van de raadscommissie waarvoor zij zijn benoemd. Bij afwezigheid van de commissievoorzitter voorziet de agendacommissie in het voorzitterschap.
HOOFDSTUK 1.
Artikel 4.