**1..** Na beëindiging van de uitkering blijft, in geval van een lening waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit ongewijzigd.
**2..** Na beëindiging van de uitkering bedraagt in geval van een bestaande vordering waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit met ingang van de eerste kalendermaand na de maand waarin de uitkering is beëindigd, de vastgestelde aflossingscapaciteit vermeerderd met:
75% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld als sprake is van een fraudevordering of een vordering voortvloeiende uit een opgelegde bestuurlijke boete of maatregel;
50% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld in geval van overige vorderingen.
**3..** Als ten gevolge van de intrekking en/of beëindiging van de uitkering een vordering ontstaat, dan wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld conform lid 2
**4..** Als na de periode van uitkeringsverstrekking een vordering ontstaat en er nog geen aflossingscapaciteit vastgesteld is, dan wordt die vastgesteld conform lid 2.
Hoofdstuk 3.
Artikel 8.
Aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels Terug-, invordering en verhaal Participatiewet 2025