Naar hoofdinhoud
De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door de raad uit zijn midden benoemd. 2. De voorzitter is belast met het leiden van de vergaderingen, waaronder: a. het in acht nemen en doen naleven van deze verordening; b. het handhaven van de orde; c. het in bespreking brengen van de agendapunten; d. het geven van gelegenheid om het woord te voeren over een aan de orde zijnd onderwerp; e. het formuleren van samenvattingen en conclusies van het besprokene.

Rechtspraak bij dit artikel